De abstractie in de fotografie kwam langzaam, maar bewust, op gang met een foto van Alvin Langdon Coburn uit 1909: The Octopus.

Het picturalisme was op zijn eind en een wereldoorlog stond voor de deur om een vernietigende streep te trekken door het nog aanwezige victoriaanse denken. Na de oorlog was het Paul Strand die twee avontuurlijke wegen baande richting de nabije toekomst. De abstractie en de straight photography. Het modernisme was voor de beeldtaal hét tijdperk van de abstracties. Denk eens aan Rodchenko, Lissitzky, Moholy-Nagy, Man Ray of Cunningham.

Net zoals na de eerste was er na de tweede Wereldoorlog vooral in Europa behoefte aan experiment en subjectieve expressie. Waar in Amerika William Klein en Robert Frank de documentaire traditie middels de straight photography een flinke duw gaven, was het de Duitse fotograaf Otto Steinert die weer nieuw leven inblies aan de abstractie in Duitsland.

In 1949 richtte hij Fotoform op, een groep die de Zeitgeist haarfijn aanvoelde en hun werk exposeerde als ‘subjectieve’ fotografie. Hun inspanningen vond aanhang in de rest van Europa en Japan (Shōmei, Takuma, Daido) maar ook in Amerika (Callahan, Siskind, White).
Abstractie en haar suggestieve werking is dan ook een onmisbaar hulpmiddel binnen onze dagelijkse fotografie. Overigens is het opvallend om te zien dat er na de twee wereldoorlogen interessante toepassingen zijn ontstaan.

Vind je dit een interessant artikel? Kijk ook eens naar Het gevaar van de gulden snede.

Geef een antwoord