Méér dan elke andere fotograaf heeft André Kertesz (1894-1985) de eigenzinnigheid van de ‘kleine camera’ ontdekt en aangetoond.


De kleine toestellen leken op het eerste gezicht nauwelijks ernstig genoeg voor de typische professional die zijn onderwerp meestal feitelijk benaderde. De meeste fotografen die kleine camera’s gebruikten vonden daarom in die zin geen meerwaarde in het apparaat, dan dat hij vooral handzaam was.

André Kertész is nooit geïnteresseerd geweest in een weloverwogen, analytische aanpak. Hij was begonnen met fotograferen in 1912 en hij zocht intuïtief de onverwachte details en het kortstondige ‘moment’. Wanneer de eerste 35mm Leica in 1925 werd verkocht, leek de camera voor het oog van Kertész ontworpen te zijn.

                                                                                                                                                                                   

Net als zijn landgenoot en collega Laszlo Moholy-Nagy speelde hij met het onderwerp in de diepe ruimte, maar hij was vooral de pionier van de context en het moment.
Daarnaast is er in het werk van Kertész een andere opvallende kwaliteit te herkennen. Je ervaart een gevoel van de zoetheid van het leven, een gratis en kinderlijk plezier in de schoonheid van de wereld en de kostbaarheid van het portret. Zijn heldere stijl, emotionele verbinding met zijn onderwerp en de geometrische patronen van zijn foto’s waren er vanaf het begin.

Als de Europese vertegenwoordiger van de ‘straight photography’ was hij de grote inspirator en aanjager van Henri Cartier-Bresson, Brassaï en Robert Doisneau.
Kertesz overleed in 1985 in New York en liet zo’n 100.000 negatieven na, waarvan de meesten tot op de dag van vandaag nog ongezien zijn. Susan Sontag heeft zijn werk als ‘de vleugel van pathos’ beschreven maar het was Henri Cartier-Bresson die misschien het meest passend eerbetoon bracht toen hij zei: “elke keer dat André Kertész de sluiter klikt, voel ik zijn kloppend hart.”

Geef een reactie