Het fotografisch landschap is aan het veranderen. De toegepaste fotograaf zit in zwaar weer, de fotojournalist verdient nog maar een derde ten opzichte van twintig jaar geleden en de fotoclubs vergrijzen. Documentaire fotografie lijkt steeds subjectiever te worden, waarbij de innerlijke wereld van de fotograaf belangrijker is dan de uiterlijke. Tussen de amateur en de professional lijken de grenzen steeds sneller te vervagen. En voor het eerst in de geschiedenis heeft bijna iedereen een ‘goede’ camera. Waar gaat dit naartoe, wie begrijpt dit nog en welke rol gaat de fotografie in de toekomst spelen?


In het laatste kwartaal van de negentiende eeuw zag je een soortgelijke beweging. De fotografie bleek meer dan een registratie-instrument en verlangde naar een plek binnen de kunstwereld, terwijl daarnaast de eerste instant-camera van Kodak op de markt kwam. Serieuze fotografen waren op zoek naar een kunstuiting als tegenhanger van het impressionisme. En ‘Jan met de pet’ kon zich voor het eerst fotograaf noemen.

Omdat er nog geen fotografische taal ontwikkeld was, leek het nabootsen van de schilderkunst de meest logische stap. Rond 1870 kwam deze beweging vanuit Engeland en rond 1904 werd de stroming wereldberoemd door toedoen van Alfred Stieglitz en Edward Steichen in New York en het heette picturalisme.

Als we spreken van de geschiedenis van de beeldtaal dan is deze pas na het picturalisme goed op gang gekomen. De eerste vormen van de documentaire fotografie waren er al vanaf 1860-1870 en schreven in de daarop volgende jaren geschiedenis. De fotografie onthulde misstanden en schoonheid, maar ook het leven van alledag.

Vanaf 1909 kwamen de eerste uitsnedes, abstracties en typologieën. Hiermee konden ze ons in een gevoel brengen en werd verscheidenheid samengevoegd tot één waarheid. Door de Leica midden de jaren twintig kregen we de ‘context’, die ons twee of meerdere verhaallijnen binnen een foto liet zien en pas na de tweede wereldoorlog goed tot bloei kwam. Midden en eind jaren dertig werd het eerste documentaire landschap gefotografeerd en werd in dit genre het grafische element ontdekt. Het was twintig jaar te vroeg dat dit fundament voor de pop art werd gelegd.

In diezelfde periode werd de documentaire fotografische bijbel geschreven in de vorm van het landschap, woningen, mensen uitsnedes en portetten. Na de oorlog stroomt de context de documentaire binnen. Het documentaire portret komt op, de abstractie, de kleurenfotografie en de snapshot ontstaan.

Het documentaire landschap stelt de mens en haar omgeving ter discussie en wordt eind jaren zestig herontdekt. Ze onderzoekt zelfs het medium zelf, en ze stevent tot op de dag vandaag door naar de hoogste regionen binnen de kunstwereld. We zien in de jaren tachtig een revolutie binnen de straatfotografie en het portret.

In de jaren negentig worden er fotografische disciplines gemixt. Het documentaire genre verliest na 2000 steeds meer zijn geloofwaardigheid en we zien meer en meer autonome fotografie die rekt en trekt aan de verworven vormtoepassingen van de beeldtaal.

Een nog ‘piepjonge’ taal, volop in ontwikkeling…

Als de geschiedenis zich inderdaad herhaalt, dan zal de fotografische beeldtaal één van de grootste en belangrijkste communicatiemiddelen van de 21e eeuw gaan worden.

  • Berichtcategorie:Nieuws
  • Bericht reacties:0 Reacties

Geef een antwoord