“I get totally out of myself. It’s the closest I come to not existing” zegt Garry Winogrand (1928 – 1984)


Geboren in de Bronx, maakte Winogrand veel van zijn bekendste werk in Manhattan tijdens de jaren 1960. Zowel inhoudelijk als door zijn artistieke stijl werd hij naast Diane Arbus en Lee Friedlander één van de belangrijkste stemmen van het decennium. Winogrand was daarvoor via omzwervingen in de fotojournalistiek beland maar dat beviel hem niet zo en daarbij had het zijn grootste tijd gehad. In 1955 doorkruiste hij de Verenigde Staten en ontdekte het boek ‘American Photographs’ van Walker Evans. Het inspireerde hem om in zijn werk autonoom verder te gaan en kwam in contact met John Szarkowski van het Museum of Modern Art in New York. Szarkowski onderkende het talent van Winogrand en stelde hem in staat te kunnen werken onder een aantal Guggenheimbeurzen in 1964, 1968 en 1978. Hoewel Winogrand alom wordt beschouwd als een van de grootste fotografen van de twintigste eeuw, blijft zijn totale hoeveelheid werk en invloed op het medium onvoldoende onderzocht. Hij was enorm productief maar het bewerken en afdrukken van zijn werk stelde hij grotendeels uit. Het fotograferen zelf gaf hem veel meer voldoening dan zijn fotoprints, boeken en tentoonstellingen. Na zijn plotselinge dood op de leeftijd van 56 jaar, liet hij een enorme schat aan ongezien materiaal achter.
Winogrand liet zich in zijn werk altijd leiden door zijn angsten, geweten en verlangens. Je voelt overduidelijk zijn aanwezigheid in zijn fotografie.

Zoals veel van zijn collega’s graag onzichtbaar bleven, schuwde Winogrand de confrontatie niet met zichzelf noch met zijn onderwerp. Je voelt iets onbepaalds in zijn beelden en je vraagt je af wat er meteen na het maken van de foto is gebeurt? Deze kracht maakte hem uniek waarvan er geen tweede te vinden is in de geschiedenis van het medium. Of zoals hij het zelf zei; “I photograph to see what the world looks like in photographs”.

Geef een reactie