In november 1922 ontdekte Howard Carter het graf dat hem de bekendste archeoloog ter wereld zou maken. 

Het was van Toetanchamon, een onbeduidende farao, die minder dan een decennium regeerde en op zeer jonge leeftijd was gestorven.

Carter vroeg het Metropolitan Museum of Art om hem de diensten van Harry Burton uit te lenen. Burton werkte voor de Egyptische afdeling van het Metropolitan en werd algemeen beschouwd als de grootste archeologische fotograaf van zijn tijd. Hij zou de komende acht jaar Carter en zijn 3000 jaar oude vondst zorgvuldig gaan catalogiseren. Als enige fotograaf was hij gemachtigd om te werken binnen het graf en belichtte 1970 glasplaten, waarvan er al 142 binnen een jaar werden gepubliceerd. 

De getoonde beroemde foto van het intacte zegel van de vergrendeling van het graf spreekt boekdelen. De foto laat ons niet alleen het schenden van een heiligdom zien maar confronteert het ons met het concept van tijd – één van de kostbaarste begrippen die we in onze huidige samenleving maar schaars bezitten. Als je nagaat dat de bouw van de Grote Piramide zo’n twintig jaar in beslag heeft genomen, was tijd bij de Egyptenaren hoogstwaarschijnlijk ook een zeer kostbare aangelegenheid, als ze de piramide gebouwd hebben tenminste. Modern onderzoek met geavanceerde technieken laten steeds meer zien dat de piramides er waarschijnlijk al stonden voordat de Egyptenaren er waren. 

De tijd zal het leren… 

Vin je dit een interessant artikel? Kijk ook eens naar E. J. Bellocq.

Geef een antwoord