Je hebt zijn foto’s vast wel eens gezien, in documentaires over het Victoriaanse Londen en in geschiedenisboeken. Zonder te weten wie ze heeft gemaakt, want zijn naam staat er meestal niet bij. John Thomson was niet enkel een begaafd fotograaf, rondreizend in een tijd waarin de fotografie én de werelden die hij vastlegde onontgonnen gebied waren. Hij was een begaafd technicus en een self-made-businessman. Bovenal was hij een netwerker van de bovenste plank, voor wiens lens iedereen een individu was. Lees hier hoe de zoon van een eenvoudige Schotse tabaksverkoper uiteindelijk wist op te klimmen tot fotograaf van de koningin.

Edinburg

Dat Thomson werd geboren op de dag dat koningin Victoria de troon besteeg, en haar aan het einde van zijn loopbaan op de gevoelige plaat heeft vastgelegd, is niet zomaar een grappig toeval. Het staat symbool voor zijn leven als kind van de Victoriaanse tijd, van de Pax Brittanica. Het was de tijd van het kolonialisme, van economische groei, van razendsnelle wetenschappelijke ontwikkelingen en technologische vooruitgang.

En je zou dus kunnen stellen dat hij, net als Julia Margaret Cameron, zijn tijd én zijn geboorteland meehad. Dat hij zijn talenten optimaal heeft kunnen ontwikkelen en inzetten. Al helemaal, doordat hij opgroeide in een cruciaal centrum van de ontwikkeling van de fotografie: Edinburg. De Schotse hoofdstad bezat belangrijke universiteiten en instituten, waar gerenommeerden wetenschappers, zoals Charles Darwin, zijn opgeleid. Hill & Adamson waren er reeds de grenzen van de fotografie aan het verleggen. Een techniek, onder meer ontwikkeld door Talbot, die de stad eveneens met regelmaat aandeed. Ook andere voor de fotografie belangrijke namen, zoals John Herschel en David Brewster, kwam men tegen in Edinburg.

Maar zo simpel lag het niet voor Thomson. Hij kwam niet, zoals Cameron, uit een financieel en maatschappelijk bevoordeeld nest. Zijn vader was een eenvoudige tabaksverkoper. En misschien is dát juist wel wat zijn fotografisch werk zo onderscheidend zou maken van dat van zijn welgestelde tijdgenoten.

 Een jonge horlogemaker met ambitie

Na zijn school gaat de jonge John in de leer bij een optisch en wetenschappelijke instrumentenbouwer. Waarschijnlijk leert deze hem ook de principes van de fotografie. Zeer begaafd en vol energieke ambitie volgt John in de avonden onder andere natuurfilosofie, wiskunde en chemie aan de universiteit. Maar in dit conservatieve tijdperk is het vrijwel onmogelijk om hogerop te komen op de sociale ladder. In het Britse Rijk bepaalt je komaf je toekomst.

Singapore is dan net als handelspost toegevoegd aan ‘The Great Britisch Empire’. Veel jonge Schotten, waaronder zijn broer, vertrekken naar de Oriënt omdat zij daar hun ambities kunnen verwezenlijken. William Thomson start er een onderneming als bouwer van optische, maritieme en nautische instrumenten. Even later, in 1862, reist John hem achterna om samen met William de zaak te runnen. Ook begint hij er al snel een fotostudio, waar hij vooral westerse handelaren en expats vastlegt.

verveling

Maar het zit hem niet zo mee als hij had gehoopt. Singapore bevindt zich in een economische dip en de zaak loopt slecht. John schrijft: “I have too much time on my hands”. Maar dit blijkt een blessing-in-disguise. Want hij begint, met zijn ziel onder zijn arm en een camera in zijn handen, de straten van Singapore af te struinen. Daarbij komt hij op allerlei plekken en fotografeert hij mensen van verschillende afkomst en makelij. Ook maakt hij zijn eerste fotografische reizen, naar West Maleisië en Sumatra, naar India en Ceylon. Hij leest veel en in een bibliotheek stuit hij op het boek van de Fransman Henri Mouhot over Angkor.

De ruïnestad van het oude Khmerrijk is, met haar duizend vierkante kilometer waarover meer dan duizend tempels verspreid staan, de grootste pre-undustriële stad. Het gebied is onder bewind van Siam. Thomson reist naar Bangkok en al snel weet hij, via via, Koning Mongkut en zijn hofhouding te fotograferen. De koning geeft hem toegang tot Angkor – dan nog jungle – waar hij twee weken lang, op olifanten, al fotograferend doorheen trekt en malaria en extreme hitte en andere gevaren overleeft. Zo maakt hij als eerste westerse fotograaf foto’s van Angkor Wat, de grootste boeddhistische tempel ter wereld. Daarna reist hij verder door Cambodja en vervolgens naar Laos, waarna hij terugkeert naar Engeland.

Angkor Wat

SKILLs

In die tijd worden er nog geen foto’s in de kranten gebruikt; de techniek is nog te kostbaar en tijdrovend voor massareproductie. Zeer vaardige ambachtslieden zetten de foto’s om in houtgravures en deze worden afgedrukt. Op die wijze publiceert de London Illustrated News zijn afbeeldingen van de boten in de haven van Bangkok. En zo maakt dus het overgrote deel van het publiek, via houtgravure-prints, kennis met Thomson’s exotische fotografie.

Houtgravure print

Hij maakt ook zijn eerste fotoboek: Antiquities of Cambodia. Dankzij dit werk maakt hij een flinke klim op de sociale ladder; hij wordt onder andere toegelaten tot de Geographic Society in Londen. Daar geeft hij lezingen en hij publiceert erop los. Netwerken, publiceren, kennis delen: toen reeds de belangrijkste skills voor een freelanceprofessional. En Thomson was geen elitaire hobbyist; hij moest zijn Aziëreizen bekostigen met de verkoop van zijn werk.

China

Azië blijft roepen. Eind 1867 reist hij terug en ditmaal vestigt hij zich in Hongkong. Van daaruit maakt hij zijn reizen door China, waar hij de diversiteit van de Chinese cultuur vastlegt. Uiteindelijk leidt dit tot meerdere fotoboeken, onder andere tot een vierdelige ‘visuele encyclopedie’ van het land, Illustrations of China and its People, die nog altijd grote historische waarde heeft.

Want netwerker Thomson kwam overal, en bij iedereen, binnen, en hij maakte daarbij geen onderscheid. In zijn fotoboeken zien we mensen van allerlei rangen, standen en leeftijden, afkomstig uit alle windstreken van het reusachtige rijk: van nederige bedelaars en straatlui tot Mandarijnen, prinsen en hoge regeringsambtenaren; van vergelegen kloosters tot keizerlijke paleizen.

Dat is bijzonder, zeker omdat het een zeer introverte cultuur betreft, toen nog grotendeels afgesloten van de buitenwereld. Met name het fotograferen van adelijke dames was bijna ondenkbaar, want zij leefden afgezonderd, ‘sociaal beschermd’. Maar Thomson’s open geest en skills hebben een krachtige werking op anderen. Hem lukt het om de verborgen wereld van de Chinese hofdames te betreden; hij weet zelfs toestemming te krijgen om het intieme voetbinden vast te leggen.

Uitdagingen

De moeilijkheden en gevaren die Thomson op zijn reizen overwint, zijn legio. Voor het collodiumprocedé heeft men een enorme lading aan spullen nodig. Zoals logge houten camera’s – Thomson gebruikt zowel een wetplate- als een stereocamera – kwetsbare lenzen en dunne glasplaten en explosieve chemicaliën. Die laatste zijn in de vergelegen delen van China overigens lastig verkrijgbaar, dus ook daarmee moet hij veelal experimenteren.

Het vergt mankracht en behendigheid om alles te veilig vervoeren, vooral naar de dorpjes en kloosters in afgelegen, bijna onbevolkte gebieden in het binnenland. Hij fotografeert en ontwikkelt bij alle temperaturen en in alle omstandigheden. Zijn doka is een zwart katoenen, bloedhete en benauwde tent, waarin hij onder de meest barre omstandigheden kwalitiatief hoogstaande, prachtige beelden vervaardigt.

Fotografie is in die tijd nog nieuw en de meeste mensen die hij voor zijn lens krijgt hebben nooit eerder een camera gezien. Ook dit kan gevaar opleveren, zoals de keer als Thomson zijn statief, camera en tent heeft opgesteld bij een enorme stenen brug. De mensen die er op dat moment op staan zijn niet gediend van de vreemdeling met zijn apparaat. Zij rapen klinkers op en gooien die naar Thomson, waarbij zijn camera wordt geraakt. De glazen plaat breekt in tweeën – dit is op de afdruk te zien.

Behalve de techniek zelf, de enorme afstanden door vaak ruig landschap, het extreme klimaat en de naar binnen gekeerde cultuur, is ook de taal een barrière. Hij moet dus niet enkel dragers en een gids, maar ook een tolk bij zich hebben. Missionarissen en zakenvrienden helpen hem bovendien om toegang te krijgen tot de unieke locaties.

Thomson’s fotografie

Thomson heeft, naast de vele hindernissen die hij als negentiende-eeuwse westerse documentair fotograaf in het verre oosten moet overwinnen, één heel groot voordeel: hij is een van de eersten. Hij hoeft zich niet druk te maken over het vinden van nieuwe, originele onderwerpen, standpunten of composities: elk onderwerp wordt voor het eerst gefotografeerd.

De natte-plaattechniek is van vele factoren afhankelijk om consistentie en kwaliteit te waarborgen. Het is een zware en tijdrovende klus, die niet enkel van de fotograaf, maar ook van de mensen vóór diens lens het nodige geduld vereist. Het zijn dus niet bepaald snapshots die Thomson maakt. Dit maakt zijn portretten en straatbeelden nóg bijzonderder: Thomson maakt levendige portretten, in tegenstelling tot zijn tijdgenoten, die voornamelijk in hun vaste studio telkens op dezelfde wijze studioportretten maken van hun veelal sjiek uitgedoste, verstijfd poserende klanten.

Als Thomson in onze tijd had geleefd en met een smartphone door de straten had kunnen wandelen om er, schijnbaar terloops, het dagelijks bestaan van mensen vast te leggen, was hij waarschijnlijk een tevreden man geweest. Want hij wil een authentieke, natuurlijke weergave maken van de werkelijkheid. De vertraging die hij daarbij oploopt door de trage collodiumtechniek, irriteert hem mateloos.

Hoezeer hij ook verlangt naar een spontanere verbeelding, hij arrangeert zijn modellen wel degelijk, zodat er een interessante, versterkende compositie ontstaat. Maar hij gebruikt daarbij wel de authentieke omgeving van de mensen die hij portretteert. Ook laat hij hen zoveel mogelijk de houding aannemen zoals ze dat in hun dagelijks leven gewend zijn en zij voelen zich blijkbaar voor zijn lens prima op hun gemak. Dat is Thomson’s niche. Dat maakt de foto’s zo natuurlijk, zo levendig en overtuigend. Fotojournalistiek avant la lettre.

Achtergronddoek

Je zou denken dat je op zulke reizen niets meer meeneemt dan volstrekt noodzakelijk. Het is daarom des te opvallender dat waar in China hij ook naartoe reist, er ook een achtergronddoek meegaat, dat hij bij de meeste portretfoto’s gebruikt. We zien modefotograaf Irving Penn in 1948 hetzelfde doen op zijn fotoreis door Peru om er de inheemse bevolking te portretteren. En Richard Avedon werd bekend met de portretten die hij op dezelfde wijze maakte tijdens zijn reizen door Amerika.  

De geportretteerde op deze manier uit diens omgeving halen is niet enkel praktisch omdat je eventueel verstorende zaken op de achtergrond uitsluit. Maar ook zet het te vertellen verhaal weer in een heel andere context en is hiermee een belangrijk onderdeel binnen de beeldtaal. Het dan ook een belangrijke en vaak doeltreffende manier van aanpak binnen de disciplines van de hedendaagse fotografie.

Maar er is meer. In Illustrations of China and its People zien we ook wel áchter het achtergronddoek de omgeving waarin de foto is gemaakt. Gezien de tijd, het geld en de aandacht die gaat in zowel het maken van de foto als het ontwerpen van de fotoboeken, lijkt dit een bewuste, wat experimentele, keuze zijn geweest. In feite haalt Thomson zo het individu naar voren en tegelijkertijd plaatst hij diegene terug in diens omgeving, door die vanachter het doek in het beeld mee te nemen.

Fotoboeken

Met zijn prijzige, op de elite gerichte Illustrations of China and its People is Thomson’s reputatie als documentair fotograaf gevestigd. Vanaf 1873 is hij terug in Londen, druk in de weer met het ontwerpen, maken en verkopen van zijn fotoboeken en losse afdrukken. Hij brengt namelijk nog meer juweeltjes uit, waaronder Foochow and the River Min, dat door velen wordt gezien als zijn meesterwerk.

Thomson experimenteert telkens weer met nieuwe afdrukmethodes en het samenstellen van fotoboeken – ook hierin pioniert hij. Zijn oeuvre is dan ook afgedrukt op uiteenlopende prints; van de houtgravure-afdrukken in de krant tot calotypie en zilvergelatinedruk tot Woodburytypie. Deze zeer bewerkelijke en peperdure druktechniek zet hij in voor een nieuw onderwerp: ‘de straatlui’. Contrasterender kan het bijna niet.

Streetlife in London

Thomson’s trek naar Azië stopt in 1872 en hij settelt zich in het Londense Brixton. Daar begint hij in 1876 hij, samen met de sociaal geëngageerde journalist Adolphe Smith, aan Streetlife in Londen. Het is een serie achtergrondportretten van mensen die zij op straat ontmoeten; mensen uit de ‘onderklasse’, zoals Thomson hen noemt. Smith schrijft bij de foto’s diepgaande teksten. Streetlife in London wordt als serie in losse delen uitgebracht die, eenmaal compleet, die tot één boek kunnen worden gebundeld.

In de Victoriaanse tijd is men erg bezig met het stereotyperen en categorisch indelen van ‘soorten’ mensen. Maar Smith en Thomson willen juist het indivu belichten. De foto’s zijn geënsceneerd, maar zo spontaan mogelijk genomen – de vaardigheid die hij tijdens zijn reizen door de Oriënt tot in de puntjes wist te ontwikkelen. Ook deze beelden hebben, dankzij zijn werkwijze, een intensiteit en zeggingskracht die hedendaagse en laat-twintigste-eeuwse fotografen heeft geïnspireerd.

Men gebruikte de Woodburytypie tot dan toe alleen voor het drukken van afbeeldingen van olieverfschilderijen uit bijvoorbeeld de Renaissance. Alleen de allerrijksten konden deze kunstboeken betalen. Maar de kwaliteit van de prints is zeer gedetailleerd – en permanent en dat juist een boek over het lijden van de Londonse ‘onderklasse’ is afgedrukt met deze techniek lijkt letterlijk boekdelen te spreken.

Een rustige oude dag

De staart van zijn loopbaan besteedt Thomson, zoals het een bejaarde ‘polymath’ betaamt, voornamelijk aan het geven van lezingen, het publiceren van zijn werk en aan schrijven, over zijn reizen en over fotografie. Ook doceert hij zijn eigen ontwikkelde methode om in de tropen te fotograferen aan jonge reisfotografen van de Royal Geographical Society.

Als hij in 1881 wordt aangewezen als hoffotograaf van de British Royal Family, begint hij een studio voor de rich&famous van de Engelse high society. En zo weet de zoon van de tabaksboer zich van een prettige oude dag verzekerd.

Tot slot

Thomson was een pionier in de reisfotografie, straatfotografie en sociale documentaire fotografie, en zijn werk liep voor op de fotojournalistiek. Bovendien was hij een vernieuwer op het gebied van fotoboeken en in de combinatie van tekst met het fotografische beeld.

Thomson’s foto’s zijn van enorme historische waarde: ze staan boordevol informatie over de mensen en de samenleving die zij representeren. Bovendien worden de beelden nog altijd gebruikt door film- en theatermakers. Zij kunnen hiermee de kleding, juwelen en haardracht van de mensen in het pre-industriële China en het Victoriaanse Londen nauwkeurig bestuderen en accuraat reproduceren. ‘Streetlife’ was ook een belangrijke inspiratiebron voor boeken en films als Oliver Twist, Sherlock Holmes en Bram Stroker’s Dracula.

Maar misschien ligt de belangrijkste waarde van zijn fotografie wel in Thomson’s open geest waarmee hij de mensen benaderde en vastlegde. Hun houding, hun gezichten, hun blikken, hebben hierdoor een spontaniteit, een kracht en een levendigheid die we in de negentiende-eeuwse fotografie zelden terugzien. Ruim een eeuw later spreken de bootjongens, hofdames, boerinnen, koningen en straatdoctoren ons aan. Ze vertellen ons hun verhaal en even bestaat de tijd niet meer.

Verder kijken

Het archief van Thomson staat, dankzij de inspanningen van de Wellcome-collectie, compleet op hun website. De vierdelige reeks Illustrations of China and its People is in te zien in de MIT Online collection.

Tekst: Nathalie van Wees

Vind je dit een interessant artikel? Kijk ook eens naar onze videocursus ‘Inspiratiebronnen’.

Geef een antwoord