Het was een lange en hobbelige weg, voordat het grote publiek de fotografie in de jaren ’80 van de vorige eeuw accepteerde als kunstzinnig medium. En tot het zover was, werd door haar pioniers zoveel geweldig, grensverleggend en belangrijk werk gemaakt, dat het tijdloos bleek. De in dit artikel besproken bewegingen hadden elk op hun eigen manier een bepalende invloed op ons idee over wat fotografie is en wat het kan betekenen in de kunst.

Even een kleine disclaimer: onderstaande is een grove indeling, puur om een overzicht te creëren over een proces dat niet zo lineair verloopt als op het eerste gezicht lijkt!

1. 1830 – 1860 HET BEGIN (nouja, ‘begin’…)

18e-eeuwse tekening van de camera obscura en haar optische werking

Camera in de oudheid

Fotografie werd niet uitgevonden door Talbot, Daguerre of Nièpce. Zij is geboren, uit een verlangen; uit de zucht van de mens om wat zij of hij beleeft visueel vast te leggen en dit te delen met andere mensen. En dit verlangen was zó sterk, dat het de mens eeuwenlang bezighield.

Want in tegenstelling tot wat wij doorgaans beseffen, gaat de geschiedenis van de fotografie verder terug dan onze jaartelling. Al in de 4e eeuw voor Christus schrijft men in China over de camera obscura. Ook Aristoteles verdiept zich in dit hulpmiddel om de werkelijkheid precies mee na te tekenen en schilderen. In de vroege Middeleeuwen beschrijft de Arabische fysicus Ibn al-Haytham nauwkeurig hoe de optiek van deze techniek werkt, een paar eeuwen later worden lichtgevoelige chemicaliën ontdekt, zoals het zilvernitraat. Echt een foto van iets maken lukt dan nog niet, maar in principe is de techniek in de letterlijke zin van het woord: ‘schrijven met licht’, dan al geboren.

 

Impressed by nature’s hand

De eerste bewaard gebleven foto is een zeer korrelig en bijna abstract uitzicht op de daken van Le Gras.
Foto: Joseph Niepce

Tijdens de industriële revolutie werken tientallen scheikundigen en andere wetenschappers, zowel afzonderlijk als in samenspraak, aan het fotografische proces.  De eerste nog bestaande afdruk van een ‘natuurlijke werkelijkheid’ is van Nièpce, die hij maakt in 1825 of 1826. Hijzelf, en zijn collega’s Talbot en Daguerre gaan de geschiedenis in als de uitvinders van de fotografie. Und dann geht’s los.

Vanaf 1839 is de fotografie – voor wie het kan betalen – een toegankelijk medium. Niet enkel wetenschappers, maar ook kunstenaars en artistieke Victoriaanse Engelse aristocraten storten zich in de magische techniek. Opvallend veel vrouwen experimenteren er intensief mee; zij gebruiken dan ook al veel effecten en methodes die later ook binnen bepaalde fotografische kunststromingen worden ingezet, zoals de soft-focus en de fotocollage.

Foto's van vrienden werden uitgeknipt en geplakt in een kleurige tekening van een Victoriaanse woonkamer.
Foto: Marie Blanche Henelle Fournier

Fotografie is geen kunst

Wat in deze periode ook meteen komt bovendrijven is het – nog altijd met regelmaat opduikende – vraagstuk of fotografische afbeeldingen de werkelijkheid (zouden moeten) weergeven.  
De manier waarop de fotograaf naar het onderwerp kijkt en de invloed daarvan op het beeld wordt in deze periode nog compleet genegeerd. Want, zo vindt men, de fotograaf is niet meer dan de kundige bediende van een apparaat.

En daarom zijn de kunstzinnige, soft-focus beelden van Julia Margaret Cameron (1815-1879) volgens haar collega’s pure onkunde. Bovendien zien het toepassen van ‘trucage’, zoals beeldmanipulatie in de fotografie van oudsher wordt genoemd, puur als misleiding van de toeschouwer.

Romantisch en teder beeld van een jonge vrouw die een meisje op het voorhoofd kust
Foto: Julia Margaret Cameron

2. 1875 – 1910 PICTURALISME

Sfeervol geveeg en gekras

En Kunst, zo vindt men aan het eind van de 19e eeuw, dat is sowieso iets dat je met je handen maakt. Nu dan, dacht een groep fotografen in Engeland, laten wij onze foto’s dan ook met de hand bewerken en ze eruit laten zien als ware het echte schilderijen of etsen in de romantische en neoclassicistische traditie. En zo komt de eerste artistieke fotografische beweging op gang: het picturalisme.

vier mensen begeven zich door een desolaat en deels besneeuwd heuvelllandschap, de picturalistische zwart-witfoto lijkt op een ets
Foto: James Graig Annan

3. 1910 – 1920 Photo-Secession & straight photography

The grandfather of art photography

Zo wordt Alfred Stieglitz (1864-1946) ook wel genoemd en inderdaad heeft de kunstfotografie enorm veel aan hem te danken. Van oorsprong een picturalist, is hij in 1902 klaar met de beperkingen die de beweging de fotografie heeft opgelegd. Hij wil dat mensen anders na gaan denken over wat fotografie is en waar zij toe in staat is.

In New York richt hij zijn eigen groep op: de Photo-Secession. Edward Steichen, Frank Eugene, Clarence H. White, Gertrude Käsebier, F. Holland Day en later Alvin Langdon Coburn behoren tot de kerngroep van deze beweging. Met galerie 291 en de toonaangevende tijdschriften Camera Work en 291 legt hij – samen met Steichen – een basis voor de ontwikkeling van de kunstfotografie in Amerika.

Gallery 291 en voorkant van het fotografieblad Camera Work
Gallery 291 - Camerawork

“Maar zijn dat wolken?”

Stieglitz vindt dat beeldende kunst dezelfde niet-representatieve kwaliteiten kan hebben, dezelfde emoties op kan roepen als muziek. Met zijn fotoserie van wolken wil hij demonstreren dat elk beeld een symbool of metafoor is voor een idee of emotie; het zijn gelijkenissen: Equivalents. Dat kan het idee of de emotie zijn van jou als fotograaf, of van de kijker. En als het goed is, dan komen die met elkaar overeen.

Een gespreksfragment tussen Stieglitz (S) en een interviewer (I):
I: “Are these pictures of clouds?”
S: “I don’t see why that matters”
I: “But are these clouds?”
S: “It’s irrelevant what they are. What do they mean to you? How do they make you feel? What do they represent to you?”

een wolkenfoto van Stieglitz: een equivalent voor een gevoel
Foto: Alfred Stieglitz

Straight photography

Terwijl Stieglitz’ kijk op wat een foto is, en kan zijn, nieuwe deuren opent voor het medium, hebben steeds meer fotografen bezwaar tegen de beeldmanipulaties van het pictoralisme en de Photo-Secession. Een fotocamera legt de werkelijkheid vast, zo vinden zij, daar is ie voor gemaakt. De fotografie is volgens hen in haar ontwikkeling vastgelopen met haar pogingen om de schilderkunst na te bootsen.

Meer en meer fotografen laten het opzettelijk wazige beeld en gekras van het picturalisme los. Zij streven ernaar om juist de specifieke eigenschappen van de fotografie en de kwaliteiten die haar zo anders maken van de andere visuele media – namelijk de nauwkeurige en gedetailleerde weergave van de werkelijkheid – inzetten voor de kunst. Dit wordt straight photography genoemd.

Een van deze fotografen is Paul Strand. Hij is een leerling van documentaire fotograaf Lewis Hine en ontpopt zich al snel tot de belangrijkste vernieuwende beeldmaker in zijn tijd. Zijn fotografie onderscheidt zich door het hoge contrast, de scherpe focus en de onderliggende geometrische structuur in het beeld. In straight photography wordt vorm sterk benadrukt. En het beeld moet zuiver zijn; hoewel er in de doka flink wordt doorgedrukt en tegengehouden, is achteraf bijsnijden not done.

sterk op de voorgrond een wit hek voor een huis op de achtergrond
Foto: Paul Strand

4. INTERBELLUM EUROPA

In de beginjaren van de twintigste eeuw stonden de ontwikkelingen in de Europese schilderkunst en architectuur niet stil; aangezwengeld door de tweede industriële revolutie zagen we reeds de opkomst in Frankrijk van het kubisme, in Duitsland van het expressionisme en in Italië het futurisme.

Op hun beurt geven de eerste wereldoorlog, de Russische Revolutie en de opkomst van de psycho-analyse nieuwe impulsen aan de visie op wat kunst is en wat zij zou moeten zijn. Tijdens het interbellum komen drie, nog altijd invloedrijke, stromingen op gang waarbinnen de fotografie een prominente plaats inneemt: de dada, het surrealisme en het Russisch constructivisme.

De meeste kunstenaars in deze bewegingen zijn zelf geen fotograaf. De camera wordt gebruikt voor visuele experimenten; de gevestigde regels voor ‘de Kunst’ lappen deze vernieuwers aan hun laars. Mede hierdoor krijgen zij een grote impact op hoe er gewerkt wordt met compositie en perspectief.

van extreme hoogte genomen foto door Moholy-Nagy, een van de belangrijkse kunstfotografen
Foto: Lázló Moholy Nagy

Eerlijk en zuiver

Steeds meer fotografen willen de camera gaan gebruiken voor waar hij goed in is. Lázló Moholy-Nagy (1895-1946) noemt het pure photography. Zijn werk kenmerkt zich door zijn gebruik van licht en schaduw, vanuit vaak totaal nieuwe en interessante perspectieven.

Ook het werk van André Kertész valt onder de noemer straight photography; de stroming heeft tevens invloed op Parijse straatfotografen zoals Henri Cartier-Bresson, Brassaï en Robert Doisneau.

zwart-wit en closeup genomen rand van een diep bord waar een vork op ligt, de schaduw is een abstracte vorm ervan
Foto: André Kertész

Dada

Dada ontstaat in Zürich, dat tijdens de eerste wereldoorlog neutraal is en waar veel Europese kunstenaars heen zijn gevlucht. Men is zwaar gedesillusioneerd en vastberaden om de gevestigde orde een poepie te laten ruiken.

Dada wil vooral provoceren en shockeren en zet zich af tegen de kunstelite die bepaalt wat wel en geen kunst is. Je komt dada daarom niet tegen op tentoonstellingen, maar wel in allerlei publicaties, tijdens meetings, op het podium en soms zelfs bij rellen.

Reeds bestaande objecten worden tot kunstwerk benoemd (readymades). Ook krijgen objecten een andere functie, of ze worden in een heel andere context geplaatst. De visuele kunst is veelal gelaagd en gefragmenteerd. Er worden veel collages gemaakt, onder andere met treinkaartjes en verpakkingen. Ook zien we de eerste 3D-collages, zogenaamde assemblages.

Onder andere Man Ray, Hanna Hoch en John Heartfield werken veel met foto’s. Zij knippen ze uit  tijdschriften en andere publicaties, om ze vervolgens te hergebruiken – vooral in collages en fotomontages. Dit opnieuw en anders gebruiken van foto’s betekent een enorme bevrijding voor het medium.

De Berlijse dadakunstenaar John Heartfield maakte fotocollages waarin hij zowel krachtige beeld- als tekstknipsels gebruikt
Foto: John Heartfield

Surrealisme

Veel kunstenaars willen de ‘andere werkelijkheid’, het onbewuste, verder verkennen. “Surrealisme is gebaseerd op het geloof… in de almacht van dromen, in het ongerichte spel van gedachten,” schrijft leider André Breton (1896-1966) in het manifest.

Het surrealisme is te zien in literaire en visuele kunst, maar ook in muziek. De kunst is vooral introspectief en heeft zelden een diepere boodschap voor de toeschouwer. Men wil de kijker verassen en aan het denken te zetten over hoe wij waarnemen. Zo worden objecten met elkaar in beeld gebracht die normaal gesproken niets met elkaar te maken hebben, of ver van elkaar af staan.

Surrealistische kunstschilders zoals Salvador Dalí en René Magritte maken dankbaar gebruik van de fotografie in hun werk. Man Ray en Brassaï maken surrealistische foto’s en Breton noemt de Mexicaanse kunstfotograaf Manuel Álvarez Bravo een ‘natuurlijke surrealist’.

In de surrealistische fotografie worden bepaalde technieken veel toegepast, zoals fotogrammen en solarisatie: het negatief beeld dat ontstaat wanneer het negatief bij het afdrukken aan wit licht wordt blootgesteld. Ook gebruikt men spiegels en speciale lenzen om het beeld van de menselijke vorm te verstoren.

Foto: Man Ray

Russisch constructivisme

“Constructivist art”, zegt Zwart Vierkant-schilder Malevitsj over het werk van Alexandr Rodtsjenko, die inderdaad gebruik maakt van industriële (bouw)materialen en zich vooral richt op architektuur en grafisch ontwerp.

Maar het Russisch constructivisme van Rodtsjenko en de zijnen wordt niet enkel gekenmerkt door het typerende vormgeving en materiaalgebruik. Zij zijn ervan overtuigd dat het volk heropgevoed kan worden door middel van de kunsten. Fotografie ziet Rodtsjenko als het ultieme middel om de grote massa mee te bereiken.

Door mensen op een andere manier – actief – te leren kijken, kunnen zij open gaan staan voor nieuwe manieren van denken, daar is hij van overtuigd. Daarom fotografeert Rodtsjenko dagelijkse taferelen diagonaal, op zijn kop en van heel dichtbij (extreme forshortening). Nog altijd spreken we van Rodschenko angles wanneer een foto vanaf een extreme hoogte genomen is.

Rodtsjenko fotografeerde hier recht van onderen en omgekeerd het silhouet van een man op een ladder die tegen een gebouw op loopt
Foto: Aleksandr Rodtsjenko

5. INTERBELLUM VS

De precisionisten

Vanaf 1931 beginnen fotografen in New York een eigen draai te geven aan de ‘zuivere fotografie’. Zij streven naar ‘absolute onvoorwaardelijke objectiviteit’ van én totale technische controle over het beeld. Charles Sheeler is de aanvoerder van deze beweging, die zichzelf precisionistisch noemt. Maar ook Paul Strand is van de partij.

De nadruk op vorm wordt vaak tot in het extreme doorgetrokken: composities worden teruggebracht tot de onderliggende geometrische vormen – tot het abstracte af. De precisionisten brengen de typisch Amerikaanse regionale cultuur en de landschappen in beeld, zowel de natuurlijke als stedelijke en industriële. Een voorbeeld van een precisionistische film is Manhatta, gemaakt in 1920 door Strand en Sheeler.

industriële landschapsfoto van een grote fabriek gemaakt door California modernist Charles Sheeler
Foto: Charles Sheeler

California Modernists – Group f/64

In 1932 richten 7 precisionistische fotografen aan de Amerikaanse westkust een groep op: Group f/64. Onder de leden bevinden zich nog altijd grote namen in de fotografie, zoals Ansel Adams, Edward Weston en Imogen Cunningham.

Group f/64-fotografen besteedden net zoveel aandacht aan de details van hun object, maar zij deden dit uitsluitend in zwart-wit, met hoog contrast of juist een breed tonaal bereik. De beelden zijn verstild, in tegenstelling tot de meeste andere foto’s in die tijd. Er wordt naar esthetische schoonheid en de onderwerpen zijn meestal natuurlijk.

De beelden zijn ontdaan van elke sociale of politieke referentie; ze nodigen bovendien de toeschouwer uit tot een nieuwe of andere kijk op het onderwerp, dat helemaal op zichzelf is komen te staan. Group f/64-fotografen wilden zo met hun werk bij de kijker de hoogste mentale verheffing teweegbrengen.

Cunningham fotografeerde voor Group f/64 veel bloemen en planten in closeup, hier verticaal lopende witte lelie-achtige bloembladen
Foto: Imogen Cunningham

Documentaire fotografie

Tussen 1935 en 1944 huurt de Farm Security Administration (FSA) een aantal fotografen, waaronder Walker Evans, in om de landelijke gebieden vast te leggen en het succes van Roosevelt’s New Deal-beleid vast te leggen. De schrijnende armoede en het gebrek aan perspectief zijn echter op Evans’ foto’s – en dat van de andere fotografen – onmiskenbaar af te lezen. Dit wordt Evans en zijn collega’s niet in dank afgenomen door de FSA. Evans loopt met zijn documentaire fotografie op zijn tijd vooruit en wordt nog niet echt begrepen. Ook raakte hij gefascineerd door grafische elementen in de openbare ruimte en zette die in 1936, waarschijnlijk geïnspireerd door dada, in een andere context. Zo vond hij, 20 jaar voordat de popart opkwam, de popart uit.

gescheurde poster affiche met daarop een man en een vrouw
Foto: Walker Evans

6. 1945 – 1960 NA WO II

woning waar tegenaan de Amerikaanse vlag waait en twee mensen die er achter voor het raam staan, hun gezichten zijn niet te zien
Foto: Robert Frank

American Street Photographers

Net zo impopulair bij de gevestigde orde is het werk van de oorspronkelijk Zwitserse Robert Frank. Zijn serie The Americans van 1958 wordt te confronterend gevonden en hij krijgt het aanvankelijk niet in de VS gepubliceerd. Frank keek met zijn Europese perceptie naar Amerika en legde een ander beeld vast dan wat men gewend was voorgeschoteld te krijgen.

De Amerikaanse straatfotografie van de veertiger tot zeventiger jaren wordt sterk bepaald door de realistische aanpak van Evans en Frank. Belangrijke fotografen zijn Lee Friedlander, Harry Callahan, Helen Levitt, Roy DeCavara, Diane Arbus, Garry Winogrand, en Elliot Erwitt. Met hun handheld-camera zwerven zij door de straten om daar het leven vast te leggen.

zwart-witfoto van Erwitt van een achteruitkijkspiegel waarin een man een lachende vrouw kust
Foto: Elliot Erwitt

Abstracte fotografie

De abstractie van de kubistische en futuristische schilderkunst geeft ook de kunstfotografie een nieuwe richting. De nadruk komt soms dusdanig te liggen op vorm, kleur, licht, lijn en textuur, dat het onderwerp vaak vrijwel onherkenbaar en betekenisloos wordt. In de fotografie zien we steeds meer extreme close-ups, lichteffecten, silhouetten, schaduwen, spiegeleffecten en andere verstoringen in het beeld.

Kunstenaars experimenteren met verschillende fotografische technieken. Nieuwe uitvindingen zoals de röntgenfotografie bieden nieuwe mogelijkheden voor het abstraheren van beeld. Portretfotograaf Alvin Langdon Coburn bouwt zelf een kaleidoscoop-achtig instrument met drie spiegels die het beeld breken en weerkaatsen. De resulterende ‘Vortografen’ behoren nog altijd tot de meest bijzondere foto’s uit het begin van de 20e eeuw.
 
gefragmenteerd abstract beeld gemaakt door Coburn: een vorotograaf
Foto: Elvin Langdon Coburn

Ook de fotogrammen zijn uit de abstracte fotografie niet weg te denken. Het zijn foto’s gemaakt zonder camera, door voorwerpen direct op lichtgevoelig papier te leggen en bloot te stellen aan natuurlijk licht. De voorwerpen worden gereduceerd tot – meestal geabstraheerde – vormen en vlakken. De eerste kunstenaar die het fotogram gebruikt is Christian Schad. Later gebruiken ook Man Ray en Láslzó Moholy-Nagy de techniek.

collage van een fotogram gecombineerd met verschillende knipsels uit een tijdschrift
Foto: Christian Schad

Toch gaat het bij abstracte fotografie niet enkel om experiment met effecten; de intentie waarmee het abstracte beeld wordt gemaakt is vaak zelfs belangrijker. Na de tweede wereldoorlog kregen kunstenaars meer de behoefte om naar binnen te keren en velen hielden zich bezig met abstract werk, zoals Jackson Pollock met zijn beroemde abstract expressionistische schilderijen. Maar ook fotografen zoals Aaron Siskind, straatfotograaf Harry Callahan, de boeddhist Minor White en in Europa de Duitse Otto Steinert legden zich meer toe op abstract werk.

een verstild en geabstraheerde closeup van afgebladderde verf in zwart-wit
Foto: Minor White

7. 1960 – 2000: New social landscape & postmodernisme

blonde jongen met verkrampte houding en een granaat in zijn hand
Foto: Diane Arbus

New Social Landscape

In de jaren ’60 en ’70 verandert de documentaire straatfotografie in Amerika. Lee Friedlander, Diane Airbus en Garry Winogrand maken hun foto’s, net zoals Evans dat deed, van het minder aantrekkelijke sociale landschap in hun land. Maar deze nieuwe generatie doet dat met zo min mogelijk sentimentaliteit.

Vervolgens wordt deze werkwijze toegepast in de documentaire, beschouwende landschapsfotografie, die zich steeds meer richt op de ‘man-altered landscape’. William Jenkins noemt deze foto’s in 1975 new topographics. De romantiek is nu letterlijk uit beeld: landschappen worden niet meer als ‘een mooi plaatje’ weergegeven, maar als een decor waartegen een franjeloos en veelal banaal bestaan zich afspeelt. Het werk van fotografen als Bernd and Hilla Becher, Robert Adams, Stephen Shore en Lewis Baltz valt onder deze noemer.

Foto: Bernd & Hilla Becher
kleurenfoto van een weg met bezinestations, stoplichten en reclames
Foto: Stephen Shore

Postmodernisme

In de new social landscape en new topography zien we reeds het cynisme van het postmodernisme. Over deze stroming is heel veel gezegd, maar omdat we er met z’n allen nog middenin lijken te zitten, is het erg lastig om hier iets eenduidigs over te vertellen.

In ieder geval zien we in het postmodernisme veel terug van de bewegingen tijdens het interbellum, en tegelijk zet het postmodernisme zich juist af tegen de visie van de modernisten. Postmodernisme is vooral cynisch over de mens en waar hij toe in staat is – en waartoe niet. Dit cynisme wordt mooi verwoord met de opmerking: “Postmodern art is created or readymade dada art that sells”.

In het postmodernisme, dat zich kenmerkt door installation art, environmental art en performance art, speelt de camera een cruciale rol in zowel het denken over als in de creatie en verspreiding van het kunstwerk.

Foto: William Eggleston

Conclusie

Net als de andere kunstvormen is de ontwikkeling van de fotografie en het denken erover altijd sterk beïnvloed door de maatschappelijke en culturele ontwikkelingen. Maar de technische vooruitgang speelt een veel bepalender rol in de ontwikkeling van de kunstfotografie dan in andere kunstvormen. Andersom heeft de kunstfotografie ons idee over wat kunst eigenlijk is – en waar het over gaat – voor altijd veranderd.

Verder kijken

Handig: een alfabetisch overzicht van de fotografen die in dit artikel zijn genoemd: