De toenmalige fotograaf werkte met een grote houten camera, veelal op een statief.

Onder een doek of een lichtschachtzoeker werd het beeld op het matglas zichtbaar en scherpgesteld, waarna de filmplaat werd aangebracht voor de opname.

Maar toen kwam de Leica….

Oscar Barnack werd door Carl Zeiß geheadhunt en kwam als manager op de afdeling onderzoek en ontwikkeling bij Leitz terecht; ‘Lei-ca’ is een samenvoeging van ‘Leitz’ en ‘camera’. Barnack is dan ook de ontwerper van de ‘oer-Leica’ in de periode 1912-1913. Het kleine apparaat had als doel om films en lenzen te testen voor filmcamera’s. Maar al in 1905 had hij het idee om negatieven voor fotocamera’s te verkleinen om ze vervolgens, net als een filmprojector, weer te vergroten. ‘Kleine negatieven, grote afbeelding’, was zijn motto. Tot op dat moment was de grootte van het negatief de bepalende factor van de grootte van de uiteindelijke foto.

Ernst Leitz II besloot in 1924 om ‘Barnack’s’ camera in productie te nemen, ondanks dat zijn adviseurs hem waarschuwden voor het grote risico om, als een vrij klein bedrijf, de cameramarkt te betreden. Maar Leitz, als microscopenbouwer, voelde een veelbelovende toekomst met deze camera. Het toestel sloeg in als een bom! Het was licht, handzaam, makkelijk te bedienen en je kon er een filmrol in doen. Vanwege de meetzoeker kon je de camera aan één oog houden terwijl je het andere oog eventueel ook nog gebruikte om de nog redelijk ongebruikte ‘context’ op te merken. De eerste fotograaf die dit ontdekte, was André Kertész (1894-1985). Vanaf 1928 begon hij met een Leica te werken en inspireerde mede Henri Cartier Bresson, Robert Capa en Brassaï.

“The camera is my tool. Through it, I give a reason to everything around me.” – André Kertész.

Vind je dit een interessant artikel? Kijk ook eens naar; ‘De eerste digitale camera’.

Geef een antwoord